De vrachtbrief voor vervoer over land deed pas veel later zijn intrede, voor het eerst in Frankrijk. Daar was de opvatting dat de weg Koninklijk Domein was en dat de vorst alle baten van het gebruik van de weg toekwamen. In 1576 leidde dat tot het tot stand komen van de Messageries Royaux, ambten die werden verpacht aan de hoogste bieders. Deze vervoerders mochten pakketten van 25 kilogram en minder vervoeren, waaronder ook brieven. Het briefvervoer was een monopolie, met uitzondering van lettres de voitures (vrachtbrieven). Later werd het gebruikelijk om de geadresseerde op voorhand op de hoogte te brengen van de komst en precieze inhoud van een zending.
Ook in Nederland waren de Franse maatregelen bekend geworden. Toen het stadsbestuur van Amsterdam klachten kreeg over het bestellen van goederen naar Haarlem, besloten burgemeester en schepenen in 1685 dat goederen bij de steiger mochten worden neergezet, maar dat het van een adresbrief moest zijn voorzien. Inhoudelijk werden aan de vrachtbrieven in Amsterdam geen eisen gesteld, in tegenstelling tot Frankrijk.
Het verdwijnen van het beurtvaartmonopolie in Nederland in 1880, zorgde er eind negentiende eeuw voor dat er veel belangenverenigingen werden opgericht waarin beurtvaarders zich aaneensloten. In deze verenigingen ontwikkelde de wet- en regelgeving zich verder. Men zocht naar formules om de aansprakelijkheid uniform en acceptabel te regelen. Dat leidde in 1912 tot de eerste Algemene Vervoer condities (AVC) waarna in 1918 het beurtvaartadres werd geïntroduceerd.
Meer weten over de geschiedenis van de vrachtbrief?