Geschiedenis

De vrachtbrief stelde (al in de klassieke oudheid) handelaren in staat goederen te verkopen aan buitenlandse kooplieden, zonder dat ze zelf mee moesten reizen met de vracht.
 
Omdat de afstanden die overbrugd moesten worden steeds groter werden, gingen de goederen steeds vaker over zee naar hun nieuwe eigenaar toe. Op een relatief besloten water als de Middellandse Zee ging dit gemakkelijk, dus de oudste zeevrachtbrieven komen uit Italië. Deze vervoerovereenkomsten werden niet zomaar afgesloten, daar was een notaris bij betrokken. De lading die aan boord werd genomen, werd door de scheepsschrijver bijgeschreven in het manifest. Na 1250 nam de gewoonte dat de koopman met zijn waren meereisde nog verder af en werd een voorloper van de vrachtbrief opgemaakt, meestal in duplo. Eén exemplaar was voor de koopman en er ging ook een exemplaar met de goederen mee voor de ontvanger. Vanuit Italië verspreidde de vrachtbrief zich over heel Europa en werd in de Hanze bekend als lettre van bevrachtinghe of onder de naam Zerter wat een afgeleide is van charter, een algemeen woord voor een officieel stuk.
 
De vrachtbrief voor vervoer over land deed pas veel later zijn intrede, voor het eerst in Frankrijk. Daar was de opvatting dat de weg Koninklijk Domein was en dat de vorst alle baten van het gebruik van de weg toekwamen. In 1576 leidde dat tot het tot stand komen van de Messageries Royaux, ambten die werden verpacht aan de hoogste bieders. Deze vervoerders mochten pakketten van 25 kilogram en minder vervoeren, waaronder ook brieven. Het briefvervoer was een monopolie, met uitzondering van lettres de voitures (vrachtbrieven). Later werd het gebruikelijk om de geadresseerde op voorhand op de hoogte te brengen van de komst en precieze inhoud van een zending.
 
Ook in Nederland waren de Franse maatregelen bekend geworden. Toen het stadsbestuur van Amsterdam klachten kreeg over het bestellen van goederen naar Haarlem, besloten burgemeester en schepenen in 1685 dat goederen bij de steiger mochten worden neergezet, maar dat het van een adresbrief moest zijn voorzien. Inhoudelijk werden aan de vrachtbrieven in Amsterdam geen eisen gesteld, in tegenstelling tot Frankrijk.
 
Het verdwijnen van het beurtvaartmonopolie in Nederland in 1880, zorgde er eind negentiende eeuw voor dat er veel belangenverenigingen werden opgericht waarin beurtvaarders zich aaneensloten. In deze verenigingen ontwikkelde de wet- en regelgeving zich verder. Men zocht naar formules om de aansprakelijkheid uniform en acceptabel te regelen. Dat leidde in 1912 tot de eerste Algemene Vervoer condities (AVC) waarna in 1918 het beurtvaartadres werd geïntroduceerd.
 
Meer weten over de geschiedenis van de vrachtbrief?